Zintuigen

-> Zicht, gehoor, tast, reuk en smaak + Tijd en ruimte.

Of zeg ik beter werktuigen?

Want welke ‘zin’ hebben ze?

Ze hebben een functioneel nut, maar dat is iets heel anders dan ‘zin’. 

Hoe werken die bij mij? Of beter, hoe komen die bij mij binnen. 

Waarom weet ik niet maar voor de moment ben ik zo verschrikkelijk vermoeid dat het ‘lijkt’ alsof ik niet deftig kan nadenken. Het is zelfs meer dan ‘lijkt’. Het is een minderwaardigheidstoestand. Niet de eerste keer dat ik het opmerk. Alsof ik mezelf het recht en de waarde niet kan en mag geven om eventueel ‘slim’ te zijn. Niet dat ik zelf vind dat ik slim ben. Daardoor ook effectief dom(mer) ‘wordt’. Oncontroleerbaar. Ik kan het moeilijk uitleggen. Ik voel mij nu dus zo ontzettend dom en hoop dat het iets zinnigs wordt wat ik nu opschrijf. Het ‘lijkt’ wel of ik niet (meer) mág nadenken. Mij geen recht meer wordt gegeven om nog iets deftig op papier te zetten. Hetzelfde als op de momenten dat er in interactie wordt gegaan. Alsof iets op die momenten alles en iedereen in verwarring brengt en wil brengen. Enkel nog ‘recht’ is om mij aan te passen aan wat een ander nodig heeft. Mijn ‘grenzen’, waar die ook liggen, zijn niets meer. Zodat het niet meer mogelijk wordt om duidelijk en helder iets uit te leggen. Omdat er geen recht meer is, geen waarde. Terug zoals voorheen. Waar unaniem is van gezegd: ‘dát, nooit meer!!’

Ik vraag mij nu zelfs af of die somatische symptomen – oa. die extreem hoge bloeddruk 169/105- daar iets mee te maken hebben. Dat zou wel een extreme manier zijn van mijn systeem maar eigenlijk helemaal niet zo dom. Heel wat ‘bezwaren’ worden daarmee ‘vakkundig’ opzij gezet. Het zou nooit anders gezien kunnen worden dan een ‘onfortuinlijk’ maar natuurlijk overlijden. 

Dat is: bvb. Nu een beroerte krijgen/creëren door die nu al weken aanhoudende hoge bloeddruk. 

Ik wil proberen te vertalen wat mijn zintuiglijke ervaringen zijn.

Wat ik elke dag, elk uur, elke minuut binnen krijg en ervaar. 

Ik begin tegenoverstelt van de opsomming die ik maakte. 

Omdat die, zoals opgesomd, volgens mij deels in afnemende intensiteit staan zo.

Hoewel het onduidelijk is of er bij de eerste drie wel zo’n groot verschil is onderling. 

Natuurlijk leven wij in een heel visuele wereld en is tastzin volgens mij eerder een interne ervaring. 

Dat is: hoewel prikkels die de tastzin aanbelangen veelal extern van aard zijn, zijn die meer lichaams-direct verbonden. Je merkt ze aan veranderingen op je tastorgaan. Wat bij zicht en gehoor niet zo is. Want ook al merk je door bvb een geluid dat de haartjes in je middenoor bewegen, dat opmerken op zich is eigenlijk een drukverandering die je tastorgaan opvangt. 

Lichaans-direct verbonden dus waarin deels een keuze kan worden gemaakt voor prikkeling. Ik bedoel dan door bvb een keuze te maken van welke kledij je draagt of aanraking met anderen te vermijden. Er zijn ook dingen die niet te vermijden zijn. 

Door oa. de impact van mijn zintuigen mijd ik nu ook zoveel mogelijk interactie. Om extreme overprikkeling te proberen vermijden. Overprikkeling is er eigenlijk altijd, weet ik nu. (-> oa. = Omdat er ook andere factoren spelen waarom ik mij nu isoleer).

Die overprikkeling is er echter altijd geweest. Ik heb nooit anders geweten. Maar heb er vroeger ‘nooit’ écht ‘last’ van gehad. Niet bij stil gestaan. Eigenlijk heb ik daar nooit echt bij stil mogen staan maar was het wel duidelijk dat het op een ander niveau lag dan bvb bij mijn naaste verwanten. 

Het werd dus niet toegestaan om er bij stil te staan. Niet door anderen en daarna ook niet meer door ‘mezelf’.

Smaakzin

Ik denk dat er het minste aandacht aan smaak wordt gegeven. 

Dat is, denk ik, omdat eten en drinken veelal een te grote functionaliteit inhoudt. 

Natuurlijk worden de 5 verschillende smaken geïdentificeerd en zijn er voorkeuren. Water van het merk Spa wordt meer gesmaakt dan ander flessenwater. De zoutere, licht metaalachtige smaak van de mineralen in dat water komen het best tot zijn recht op kamertemperatuur. In huis echter wordt enkel kraantjeswater gedronken waarin door het zuiveringsproces de nasmaak een meer alkalische toets krijgt, waardoor het calciumwaterstofcarbonaat duidelijker te proeven is. De ‘kalk’ dus. Maar verder wordt bij dit zintuig apart, het minste aandacht besteed.

Toch is er ook -merk ik de laatste tijd- veel van wat mijn smaakzin prikkelt onderhevig aan triggers. Of dit te maken heeft met de verbondenheid met reukzin weet ik niet. 

Misschien dat het daarom de laatste tijd dan ook zo moeilijk is om sommige dingen te eten. 

Het is niet dat ik nooit ‘genoten’ heb van eten -hoewel écht genieten, als in emotioneel toelaten en in het hier-en-nu er zelden of nooit bij is, denk ik wel dat er enige vorm van genieten van voedsel is geweest op mijn zwerftochten. Als je een zelf gevangen konijn, vis of … na een tijd van amper iets eten van je kampvuurtje haalt en oppeuzelt, geniet je daar wel ergens van. Voor de rest is het echt een pure functionaliteit. 

Reuk

Ondanks dat er gerookt wordt, wat dus ook mijn smaakzin ondermijnt denk ik, merk ik nu dat er ergens ongelooflijk veel aandacht aan reuk wordt gegeven. 

Wel minder bewust dan aan de volgende 3 zintuigen. 

Echter, wordt er nu wel opgemerkt, dat geuren mij ook ongelooflijk kunnen triggeren.

Niet wat of welk, daarvoor zou je herinneringen moeten hebben denk ik, maar wel dat het iets doet. En heftig. 

Waar voeger iets minder ‘bewust’ aandacht aan werd besteed. Of geen. 

Of beter, waar vroeger vooral meer werd voor afgesloten denk ik, ómdat het werd/wordt opgemerkt en het triggert. Serieus triggert.

Het valt mij wel op dat een geur meestal veel vroeger wordt opgemerkt dan dat anderen iets van geur opmerken. Veelal gaat het ook niet over fracties van seconden maar over ettelijke seconden.

Ik hoor mezelf frequent vragen aan anderen of ze ook een bepaalde geur opvangen, om steevast ‘nee’ als antwoord te krijgen. Dat het in mijn ‘koppeke’ zit. Om dan ettelijke seconden of zelfs tientallen seconden later de reactie, ‘Ah, ja. Nu riek ik het ook!’, te krijgen. Ik zwijg nu veel meer dan vroeger. 

Ik denk dat geur een héél sterk zintuig is. Veel meer dan ik graag zou willen -hoewel ik niet weet waarom- en dat geuren zeer diep worden ‘binnen gesnoven’. 

Daarom ook, denk ik, dat er een grotere noodzaak is geweest (en nog) om mij daar deels onbewust-bewust voor af te sluiten. 

Tast

Het eerste van de zintuigen waar ik meer over kan zeggen. 

Dat is, ten overstaan van wat ik begrijp van anderen, van hoe zij tastzin ervaren.

Als ik daar dus mag van uitgaan, dat het waar is wat mensen zeggen, dan is mijn tastzin fenomenaal. 

Ik voel dingen die anderen blijkbaar niet voelen. (Of er wordt ‘gewoon’ aandacht aan besteed).  

-Ik praat er ook niet meer over, tot nu hier natuurlijk, want ik ben het beu om niet geloofd te worden of voor zot te worden uitgemaakt. Ik vind het zeer lastig om er nog over te praten want als het waar is wat anderen zeggen is wat ik ‘voel’ inderdaad niet ‘normaal’. Beschrijven ze het ook als abnormaal, dat het niet kan, dat ik geen super mens ben, dat ik fantaseer, dat ik ‘ne speciale’ wil zijn,… Ik wil helemaal niet speciaal zijn, geen super mens. Ik zou gewoon graag willen om eens niet abnormaal te zijn. Het zou fijn zijn, denk ik, om eens niet altijd overal buiten te staan. Of zoiets. Want ik weet niet waar ik dan binnen zou willen staan.- 

Of beter opmerken. 

Het verschil met hoe mijn zintuigen worden ervaren is onwaarschijnlijk tegenover wat ik hoor van anderen. Ik heb deels een hypothese hoe dat komt maar nog meer vragen. 

Hoe dan ook, met mijn tastzin voel ik. 

Voel ik alles!

Niet emotioneel, maar gewaar worden. Losgekoppeld van elk ander iets dan functionaliteit. (Hoewel dat ook mogelijk aan het veranderen is, dat het niet langer enkel functionaliteit omvat).

“Voelen” als in opmerken dat er een fysieke verandering plaatsvindt.

Twee verschillende niveaus. Intern en extern. 

Intern merk ik pas écht dingen op sinds een jaar of 2. Dat is: bewuster. Omdat gevraagd is om daar bij ‘stil’ te staan. Hartslag die verandert, ademhaling, bloeddruk, … pijn.

Niet dat het daarvoor niet werd opgemerkt maar er mocht niet bij worden stilgestaan. 

De veronderstelling daarrond, dat het voorheen niet écht werd opgemerkt, is dat, bvb paniek, niet ‘gevoeld’ mocht worden. Zelden of nooit heb ik mij anders ‘gevoeld’ dan flat-line, ijskoud en leeg.

Dat adrenaline mij in omstandigheden deed bibberen werd ook enkel daaraan gewijd, aan de adrenaline als reactie op de omstandigheid. Meer niet. Een steeds immense controle werd uitgeoefend. Zover zelfs dat fysieke pijn volledig kon genegeerd worden. Echt volledig. Niet dat die er dan niet is e. Maar gewoon, negeren. 

-Ik weet nog (geen herinnering, herinneringen heb ik niet. Enkel weten(schap)) dat er eens een (laat ons zeggen ‘per ongeluk’) kokende tas thee over mijn benen werd omgestoten (kokend want de ketel kwam maar net van het vuur) en dat mijn stiefmoeders reactie, die arts is, mij verbaasde. Ze vroeg zich af waarom ik geen enkele emotionele reactie getoond of geuit had. Het niet uitgeschreeuwd had van de pijn. Pijn is relatief.-

Extern dan. Elke vierkante centimeter van mijn lijf, vooral de buitenkant, elke minuscule verandering wordt ik gewaar. Elke temperatuursverandering, en of die verschilt van vierkante centimeter tot vierkante centimeter. Elke aanraking, waar ook, ten overstaan van waar niet. Mijn kleding, mijn schoenen,… en constant. Het ebt niet over in gewoonte. In gewenning. Zelden of nooit -tenzij er een ander, imminent gevaar dreigt- gaat het niet over in gewenning. En dan nog. Van het moment dat ik bvb mijn kousen aantrek voel ik die stof rond mijn voeten. Ik merk ook het verschil van stof tot stof. Mijn broek, mijn t-shirt,… Het branden van mijn voeten, elke dag, heel de dag, als ik schoenen aan heb. Elke stap die ik zet voel ik de druk zich verspreiden van hiel tot tenen tot elke teen afzonderlijk. Elk steentje, elke oneffenheid en het verschil van schoenzool tot schoenzool. Van ondergrond tot ondergrond. Bij elke stap die gegenereerd wordt voel ik het scharnieren van de gewrichten van heup, knie, enkel, teenkootjes, rug, schouders, nek,… spieren en pezen werken. Ik voel met elke pas elke spier opspannen en/of ontspannen. De verplaatsing van de lucht rondom mij die beweging met zich meebrengt. Elk haartje dat daardoor beweegt,… noem maar op. Maar nog meer dan dat. Elke drukuitoefening of verplaatsing/opheffing van die druk. Zelfs zwaartekracht. Ik voel de zwaartekracht. Op mijn schouders drukkend bvb, of bij elke beweging van mijn benen om te stappen hoe mijn spieren daar tegenin moeten werken en daar dus kracht voor nodig hebben. Afzonderlijk van de kracht die nodig is om je been op te tillen. (De 2 bestaan niet zonder elkaar natuurlijk maar probeer het zelf maar is uit te leggen). 

Nog meer: vibraties. Ik merk vibraties op in de lucht. Luchtverplaatsingen. Verandering van luchtdruk. Gegenereerd door de wind zelf of door temperatuur of iets anders. Een geluidsgolf bvb of iemand of iets dat binnen een ‘bepaalde zone’ rondom mij komt en daardoor voor drukverandering zorgt, een deur die ergens open of dicht gaat waardoor er luchtverplaatsing is, voetstappen die door de trilling via de ondergrond worden opgevangen (meestal door mijn eigen voeten, zoals ze in de films op de sporen luisteren of er een trein aan komt lijkt het wel of mijn lichaam ‘luistert’ naar verschillende vibraties uit de omgeving en heel de omgeving daarvoor gebruikt om ze op te vangen) ,…

Als ik buiten sta, in vroege uurtjes, mijn ogen sluit, hoe belachelijk het ook kan klinken, merk ik ‘soms’ zelfs de rotatie van de aarde. Om zijn as én om de zon. 

De maan. Soms ‘voel’ ik de maan. 

Waarschijnlijk door de lichte veranderingen in mijn evenwichtsorgaan. Ik kan het niet anders uitleggen. ‘Zot’ wordt ik toch al verklaard. Dat doen ze. Als ze iets niet kennen. Nog steeds, ondanks andere beweringen. Er is nog niet veel verandert in de geschiedenis. 

Gehoor

Elk minuscuul geluidje hoor ik maar komt niet-normaal hard binnen. 

Natuurlijk kunnen geluiden overstemd worden maar toch.

Mijn absolute treshold is waanzinnig. 

Zelfs in een voor mij ongelooflijk kabaal -dat van een kantine- hoor ik elke stoel apart verschuiven, elke voetstap, elke schuifel, elk geritsel, elke stem,… zelfs dikwijls worden er meerdere gesprekken tegelijk gevolgd. Voetstappen worden niet enkel geregistreerd maar ook geanalyseerd. Zijn ze snel, traag, ver of dichtbij. In welke richting bewegen ze zich, is het een kwade stap, een onrustige, een gehaaste, een doelbewuste… wie of wat is het…

Ook hier zit geen gewenning op. 

Zelfs monotone geluiden, zoals op de trein het gesuis van de windverplaatsing, de wrijving van de wielen op de sporen, het getik van de onderbrekingen tussen de sporen,… Ik ben bvb aan het lezen (en weet wat ik lees e) en terwijl blijf ik heel de tijd die geluiden horen. Maar niet enkel die komen continu binnen. Ook elk ander geluid komt bewust binnen en zelfs verschillende gesprekken worden ondertussen deels gevolgd. Scannend op mogelijk gevaar denk ik. Ook hoor ik ondertussen mezelf. En ik bedoel dan niet enkel de geluiden die ik zelf maak bij het bewegen waardoor bvb je jas kraakt maar ook elke luchtverplaatsing die ik maak bij het ademen. Elke inademing. Elke uitademing. 

Bij momenten, als het voor mij relatief stil is, hoor ik zelfs mijn hartslag en het ruisen van mijn bloed door mijn aderen. Ik weet dat dit heel gek klinkt (haha) maar het is echt zo. 

Soms wordt ik er zelf echt horendol van. En het is niet dat ik moeite moet doen om daar op te letten. Net zoals de rest komt alles gewoon in mijn aandacht. 

Als de wind door de bomen ruist, hoor ik het geheel van bladeren ritselen, maar ook de aparte delen. Je zou bijna kunnen zeggen elk blad apart. De takken, van boom tot boom. De nageltjes van de pootjes van een boomklever die zich met elke sprong opnieuw vastklauwen op zoek naar grip op een boomstam. Waarbij dat geluid verschilt van eik naar wilde kastanje of els. Naar dikte van de stam. 

Geluiden bombarderen mijn oren en ik begin er nu last van te krijgen. 

Vroeger had ik ook alles gehoord maar deed het niet zoveel pijn. 

Zicht

Het zou kunnen dat mijn gehoor boven mijn zicht staat maar omdat wij in een visuele wereld leven en ik zelf een beetje een ongelovige thomas ben -die toch nog steeds kijkt om te zíén wat hij weet wat hij heeft gehoord- denk ik dat zicht op nummer 1 komt. Niet als meest intense of als meest eisende/belastende van mijn systeem (of werkgeheugen) maar waar ik het meest op af ga. 

Alles heb ik gezien. Of toch bijna alles. En ik denk dat de dingen waar minder aandacht aan wordt besteed de dingen zijn die geen direct gevaar vormen. Dat is: bij veel prikkels waar vooral dan ook mensen bij betrokken zijn. Er is zoveel dat wordt opgemerkt dat er geen beginnen aan is om het op te sommen. Elke kleine beweging, elke kleine flikkering wordt opgevangen. Zomaar. En ik kan het ook niet laten van mijn hoofd te draaien en te kijken dan. 

Waar ik ook mee bezig ben.

Wordt er toch iets gemist merk ik ergens een schrikeffect en kwaadheid op mezelf. 

Ik heb ooit eens ergens gelezen dat mannen, om beter te kunnen jagen, iets beter dieptezicht hebben en hun blik op die manier ook verder focussen. Een beetje zoals een roofvogel van ver een prooi spot. Vrouwen zouden meer baat in de evolutie hebben gehad bij een bredere periferie maar die dichter bij focust. Ik denk dat ik werkelijk een combinatie van de twee heb. Niet-normaal wat ik zie op hetzelfde moment dichtbij en veraf. En scherp. En de details die ik zie en onthoudt. Soms weken nadien nog.

Als ik anderen hoor hoe zij zien, lijkt het wel of ik door een vergrootglas kijk.

Toen ik dit eens probeerde uit te leggen vertelde iemand me het wel te begrijpen als wat ze zelf ervaarde toen ze voor het eerst een bril droeg. Ze zij dat ze voorheen, als ze naar een boom keek op bvb 30m afstand, de kruin als een groene ‘bol’ zag. Meer niet. Dat ze nadien, met die bril, zag dat er takken vol bladeren aan hingen. (wat ze voorheen wel wist maar niet als dusdanig afzonderlijk zag). Ze zag nu takken vol bladeren. Niet echt de bladeren duidelijk afzonderlijk.

Welnu, als ik van die zelfde plaats kijk, zou het voor haar lijken alsof ze met een telescoop kijkt. Ze zou net als mij, elk blad afzonderlijk zien, elke knop op elke tak, elke nerf in elk blad en de kleurschakeringen en schaduwen van blad tot blad. Elke groef in elke tak, elk spinnenweb waar de lichtinval juist op valt, elk insect dat beweegt,… zonder het geheel van de boom uit het oog te verliezen noch alles wat voor of achter die boom is en binnen de periferie ligt. 

Dan is er nog tijd en ruimte. 

Het verbaast mij telkens dat waar ik ook kom, ik na een keer ergens in een ruimte te zijn geweest, er ergens de lay-out van wordt opgeslagen. Ramen, deuren, uitgangen,.. van afstanden (niet exacte maar toch) tot de oriëntatie toe. 

En niet bedoeld als één kamer of één ruimte. Dat kunnen hele gebouwen zijn. Zolang ik er maar doorgelopen ben. Dat is wel de grootste vereiste. Sommige details worden wel vergeten maar die zijn denk ik minder belangrijk. Rara welke vergeet ik niet. De uitgangen. En meestal blijven die plattegronden ook jaren zitten. Of gaan zelfs nooit niet weg. 

En tijd, is ook iets waar ik zelden verkeerd in ben. Alsof er een biologische klok is die meedraait om er voor te zorgen dat ik op tijd een schuilplaats voor de nacht begin te zoeken en/of te maken of zo. Het is heel raar om zo weinig of geen zelfbesef te hebben en toch zo intens bewust te zijn van tijd en ruimte. 

Hoe komt dit nu allemaal toch?

Zijn mijn zintuigen anders dan bij anderen? Scherper? Of hetzelfde maar gewoon extreem getraind. Of heeft het echt te maken met de indruk, die niet gewoon een indruk is, dat op eender welk moment, er niet één, maar velen de vensters naar de buitenwereld gebruiken om door te zien. 

Dat de wereld ergens heel onvoorspelbaar is geworden en zeer gevaarlijk voor ons is wel duidelijk. 

Maar dat kan toch niet maken dat de capaciteit van mijn werkgeheugen zo fenomenaal groter is. 

Trouwens, ik denk niet dat moesten we het testen ik zoveel meer (als het al meer zou zijn) dan 7 items tegelijk in mijn werkgeheugen zou krijgen om mee te werken.

(Hoewel, nu niet meer maar ik bedenk mij plots dat ik al zolang ik weet meerdere boeken tegelijk lees en niet vergeet wat ik al gelezen heb, of dat ik (nu niet meer maar dat heeft zijn redenen denk ik) op het werk alle cabines, bij nummer, vanbuiten wist staan, aan alle dossiernummers kon van elke cabine waar ik ooit was geweest in die voorbije 10 jaar en met die dossiernummers ook kon zeggen welke werken er onder die nummer waren uitgevoerd, dat ik maar 1 keer een getal in een flits moest (ja verleden tijd) zien tot wel 14 á 15 digits om het niet meer te vergeten als het ergens belangrijk genoeg was voor mij. Dat dat allemaal tegelijk kon, zonder dat zoals bovenstaande beschreven, wat mijn zintuigen ondertussen binnen brachten, daar onder te “lijden” had).

Langs de andere kant, als al wat ik nu heb aangegeven al in mijn werkgeheugen zit is het verwonderlijk dat ik die zeven items in aandacht nog haal of zou halen. 

Normaal gezien ontvangt ons sensorisch geheugen wel alle prikkels maar filtert dat zelf al een deel in functie van noodzakelijkheid. Meestal in functie van gevaar. 

Ook om ons werkgeheugen een deel te onthouden van overbelasting. 

Enkel aan noodzakelijke dingen of de dingen waar we mee bezig zijn wordt normaal gezien aandacht besteed zodat we er ons van bewust worden/zijn.

Hoe het komt dat alles, maar echt álles in mijn werkgeheugen terecht komt weet ik niet. Hoe het komt dat er ook geen gewenning optreedt nog veel minder. Natuurlijk heb ik wel een idee, maar dan blijft de vraag hoe dat überhaupt mogelijk is. Want tussen willen en doen (of kunnen) zit een groot verschil. Mensachtigen, waartoe ik fysiek dus zelf ook behoor, zijn fysisch niet in staat om vanuit stand bvb 6 meter in de lucht te springen. Of 20m ver.

Hoe komt het dan, los van het willen, dat mijn brein überhaupt in staat is van te doen wat het doet?

Is het echt door omgevingsfactoren? Die wegen wel zwaar door natuurlijk. 

Genetische mutatie? Het wil niet zeggen omdat het niet geweten is dat het niet kan. Er komen nog steeds genetische mutaties voor in de natuur. 

De vinken van Darwin hadden ook niet plóts een grotere en dikkere snavel. Omgevingsfactoren en mogelijk een genetische mutatie kan leiden tot een betere aanpassing. Betere overlevingskansen. 

Zie naar sikkelcelanemie.

Of epigenetica? Zijn er, genen meegegeven die al in een bepaalde sequentie aan- of af stonden die dit mogelijk maakten (en/of dan onder die “juiste” (->foute woordkeuze ik weet het) omgevingsfactoren gestimuleerd)? 

Of net door die “juiste” omgevingsfactoren, genen die zijn meegegeven, aan- of afgezet in een sequentie die dit mogelijk maken?

Hg80 © MMXIX

Je kan misschien ook genieten van:

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.