En stilletjes toch ook niet..

Dinsdag, 3 augustus 2021

06:32

Ik ben net wakker geschoten uit een droom en moest denken dat ‘ik‘, in ‘het normale‘, het verst verwijderd ben van ‘mezelf‘.

Dat ‘dat normale‘, het streven naar ‘het perfect aangepaste‘, ‘mijn‘ sterkste masker is.

Dat meelopen in een kudde, ook al stevent die rechtstreeks op de afgrond af, ‘mij‘ minder levensbedreigend overkomt, dan niet meelopen.

Ik vraag mij af hoe dat komt. Hoe het komt dat mijn brein meer overlevingskansen toedicht aan collectief meespringen van een klif, een gewisse dood tegemoet, dan ‘gewoon‘ uit die kudde te stappen.

Die droom ging daar ergens over denk ik.

Ik zat in een soort cinema- of theaterzaal. Samen met mijn oudste zoon. Maar mijn zoon was ouder dan nu, zestien of zeventien. Zelf was ik, zoals altijd, vaag. Iets mensachtig, maar zonder uiterlijke kenmerken. Ik wéét ‘gewoon’ dat ik het ben, maar er is totaal geen hérkenning. De zaal zat stampvol en was luidruchtig. Dat overprikkelde mij enorm; gaf me een intens claustrofobisch gevoel en ik ging kapot van de ‘vapeure’kes’. Iedereen wou ‘opvallen’, deed zijn best om ‘eruit te springen’. Individueel, individueel binnen zijn sectie, binnen zijn cluster, zijn groep, en zo uitbreidend tot ‘het groter geheel’: die zaal. Alles binnen een soort piramidesysteem of zoiets. Binnen een soort normen-hiërarchie. Waarbij het trapsgewijs grotere geheel telkens een soort overzicht hield over de steeds kleiner wordende groepjes. Toch was het normen-belang binnen de steeds kleiner wordende groepjes ergens belangrijker dan dat steeds overkoepelende. Met elk individu, ieder voor zich, als centraal punt of zoiets. Enfin, ik begreep het ‘gewoon’ niet zo goed. Maar de normen die golden grepen me ‘instant’ bij de keel. Omdat ze, voor mij, geconstrueerd waren uit valse waarden of zoiets. Waardoor ik ze totaal niet begreep en ze mij in complete paniek stortten. Ik duizelde er van, voelde mij wanhopig misselijk en wou gaan lopen maar bleef toch. Niet in het minst voor mijn zoon. Om hem niet in verlegenheid te brengen. Want ik had hem naar mij zien kijken met een van angst vervulde blik op zijn gezicht van: “shit, ze gaan zien dat mijn vader niet ‘juist’ spoort en dan ben ik mijn ‘rep’ kwijt”. Dus deed ik maar mee, ‘blendde’ in. Zelfs met net dat tikje ‘extra’, zodat mijn zoon, ‘achter’ mijn rug, de ‘wow, wa ne coole pére hedde gij treatment’ kreeg van zijn vriendjes. Soit.., iedereen zat dus maar boven en door elkaar te ‘roezemoezen’ en ik keek nu naar een vrouw die vooraan zat. Op het podium, met haar benen gekruist wiebelend, haar handen steunend naast haar, de vingers over de rand gebogen, een bolle rug, haar hoofd licht gebogen en schuin naar links gedraaid. Ze zat daar al vanaf we waren binnen gekomen. Ik had haar direct gezien, gevoeld zelfs, en op de een of andere manier zij mij ook, waardoor ze haar hoofd dus naar links had gedraaid, naar mij, wat even tot een snel oogcontact had geleid. Ik had gevoeld dat ze de hele tijd had zitten staren maar nu pas, nu mijn zoon ‘veilig’ was en met zijn vrienden bezig was, kon en mocht ik mijn aandacht pas op haar richten. Ze was iets aan het vertellen, ze was al heel de tijd iets aan het vertellen, maar niemand luisterde. Die vrouw zat niet zo heel ver van mij. Ik merkte ook dat we ons op de eerste rij bevonden, wat ik zo raar vond, omdat ik dat nooit zou doen en omdat het leek alsof dat plots was. Als in eerst niet of zoiets, en dan ineens wel. Verwarrend. Alle ja.., die vrouw richtte zich dan ineens alleen tot mij, omdat ze wist dat de rest toch niet luisterde, toch niet zou luisteren. Ik begreep ineens dat ze zich al van in het begin enkel tot mij had gericht, en ze vertelde zo iets pakkends, zo iets schrijnends.. “Over hoe wij, mensen, met elkaar omgaan. Over hoe koud en hardvochtig wij over elkaar spreken. Zelfs over de meest verschrikkelijke dingen die mensen meemaken of overkomen. Alleen niet als het over onszelf gaat, of over onze ‘naasten’. Dan moet iedereen maar meeleven, begrip tonen en respect hebben”. En ik moest een traan laten. Maar ik verborg mij. Dook weg in die zetel en werd letterlijk kleiner. Zodat ik niet meer boven die rugleuning uitkwam. Zodat niemand mij meer zou zien. Die traan, dat verdriet, ‘mijn verdriet’, niet zou worden gezien. En ik die ‘reputatie’ die ik had opgebouwd, voor mij, voor mijn zoon, niet zou ‘verliezen’. –

En toen schoot ik dus wakker, bezweet en gedesoriënteerd.

Ik denk dat ik wakker geschoten ben net voor, of op het moment dat iemand dat opmerkte. ‘Mij‘ opmerkte.

En die vrouw daar van voor: Ik kende die, ik kende die zelfs heel goed, ook al had die ook geen kenmerken en ook al kende ik die totaal niet.

Het ‘gekke’ is, bedacht ik mij verder, dat ‘dat eruit springen’ enkel lijkt te mogen in: ‘als het mezelf geen waarde geeft’.

Met dat ‘eruit springen’ bedoel ik dus die ‘reputatie‘ zoals in die droom, he. In ‘het eruit springen’ zonder echt eruit te springen dus. Eruit springen dus ‘in functie van..’ of zoiets. In wat ik eigenlijk diep vanbinnen niet ben en niet wil.

Maar vooral dat ‘dat eruit springen’ niet kan, niet mág, als dat mij, mijn echte mij, waarde zou kunnen geven. Of mij, ‘in mijn brein he’, daardoor ‘boven‘ anderen zou plaatsen. Wat niet is, ik weet het, want ik denk zo ook totaal niet. Maar elk beetje ‘waarde‘, elk beetje ‘bestaansrecht‘ dat ik mezelf probeer te geven, of dat anderen mij, om welke reden dan ook, proberen geven –zoals die schildersezel die de buren mij gaven– doet ‘mij‘ compleet flippen.

Alsof ik daarmee iets ‘ongehoords‘ doe of zo. Iets zó verwerpelijk, zó affreus dat ik begin te walgen van mezelf.

Mijn brein zegt mij dan dat dat niet kan. Niet mág!

Dat neemt zelfs zulke proporties aan dat het ergens ‘levensbedreigend‘ wordt. Als levensbedreigend wordt opgevat.

En dat ik dat moet vernietigen. Dat ik dan dat iets, ‘mij‘, zo snel mogelijk moet vernietigen.

En dat kan over eender wat gaan. Eender wat, waar ‘eventueel’ waarde of bestaansrecht zou kunnen ‘uitgehaald’ worden.

Zoals bijvoorbeeld ergens ‘goed’ in zijn.

Sport, of studeren, of denken, of schrijven, schilderen, tekenen, poëzie…

Eender wat.

Het mág niet!

Alles van ‘prestaties‘, van wat ‘ik‘ percipieer als een prestatie, die leiden of zouden kunnen leiden tot ‘echte waardering’ of ‘echte waarde’, tot bestaansrecht, (in mijn brein he), saboteer ik zelf op een gegeven moment.

Omdat het niet mag. Niet kan. Niet mag bestaan.

Enkel die, die mezelf ‘geen’ waarde geven, niet echt, en al zeker niet voor ‘mezelf’, kan ik iets langer ‘aanhouden’.

Zoals in die droom, voor mijn zoon, of om zelf niet uit ‘de kudde’ te ‘vallen’.

-Wacht, ik zal een voorbeeld proberen geven. Ik ben hier al even over aan het nadenken hoe het toch komt dat ik ‘mezelf’ zo saboteer en ondermijn. Ik heb daar nog niet echt een verklaring voor gevonden maar ik heb wel een aantal voorbeelden doorgekregen. Ik weet het, het is raar om dat zo te zeggen maar ik heb al eens uitgelegd dat ‘ik’ geen herinneringen heb. Enkel weten. Zoals iets dat je weet over iets. Iets, dat je eens ergens gelezen, gehoord of gezien hebt of zoiets. Zoals iets uit een film, of een boek. Iets over een fictief persoon, of een echt dat kan ook, maar het lijkt niet over jou te gaan. Niet echt. Terwijl je rationeel wél weet dat het over ‘jou’ gaat. Maar dat is net zoals die eerste persoon enkelvoud waarin ik schrijf. Ik schrijf vanuit die ‘ik-vorm’, zonder dat ik een ‘ik-gevoel’ heb. Maar ik heb ook geen ‘wij-gevoel’ he. Ik heb eerder een ‘iets-niets-gevoel’. Een soort ‘abstractie-gevoel’. Een absurditeit, als ongerijmdheid. In het beste geval een ‘fictief-personage-gevoel’ waar je ergens een beetje mee meeleeft. Allé ja soit, een voorbeeld dus. In 1995 ben ik ‘binnen’ gegaan als beroepsvrijwilliger in het leger. Als kandidaat para-commando. Niet om te ‘stoeffen’, echt niet, maar dat was eigenlijk een speeltuin voor mij. Niet dat die opleiding niet zwaar is, want dat is ze echt wel, maar ik was fysiek zó sterk, zó getraind, en kon mezelf zó gemakkelijk over mijn grenzen duwen, dat ik al die fysieke beproevingen met de spreekwoordelijke ‘vingers in de neus’ doorstond. De mentale beproevingen: het mentale afbeulen, informatieopname, stresstesten, vermoeidheidstesten, enz.. waren zwaar en toch ook even gemakkelijk. Ik huppelde, om het zo te zeggen, door die opleiding door. Tot.. 1) die evaluaties daar begonnen binnen te komen, en 2) ik ‘de indruk’ kreeg dat ‘mijn thuisomgeving’ begon door te krijgen met wat voor een ‘gemak’ ik die toch wel ‘mythische’ opleiding doorstond. En ‘die omgeving’ daar dus een soort ‘waardering’ begon over te uiten. Die evaluatieverslagen in het leger zelf, ze nemen die samen met je door, gingen van goed naar beter naar best. Zowel op fysiek als mentaal vlak. Dingen zoals intelligentie, doorzettingsvermogen, leiderscapaciteiten, officieren-materiaal, mogelijke ‘gouden dolk’ … werden me toegesmeten. Achter ‘den hoek’, zodat niemand anders het zag, kreeg ik zelfs stiekeme ‘schouderklopjes’ van mijn instructeurs. … Ik ben daar totaal op ‘gecrasht’. Ik kon dat niet aan, en ben mijzelf beginnen saboteren. Ging van slecht naar slechter naar slechtst. Ik heb mij zelfs laten vallen, mijzelf écht geblesseerd, om een blessure te kunnen ‘faken’. Zodat ik die opleiding niet kon voltooien. Zodat ze mij die opleiding niet konden laten voltooien. Omdat ik dat echt niet aankon. Ik kon ‘al die waardering’ niet aan en ben daar compleet op geflipt. En dat ik een barst in mijn heup had door mij te laten vallen van de rotsen, speelde alleen maar in ‘mijn voordeel’ op ‘het thuisfront’. “Het was dan niet ‘mijn fout’ dat ik mislukt was, want die opleiding was toch wel zwaar he. Dat hadden ze toch wel altijd al gedacht dat die toch te zwaar zou blijken te zijn voor mij zene. Maar ja, ik had toch geprobeerd he”.-

Dit voorbeeld, heb ik ‘wat verder uitgelicht’, omdat daar 1) alle voornaamste elementen inzitten om te proberen verwoorden wat er elke keer weer opnieuw gebeurd denk ik,

En 2) ik daar op de een of andere manier ‘het meest van weet’.

Omdat het ‘het meest pijn doet’, denk ik.

A propos, de redenen waarom ik toen in het leger ben gegaan staan hier nu nog niet bij, maar die spelen ook ergens een rol denk ik.

Ik schrijf redenen, omdat er redenen waren, maar veelal ‘valse’ om de echte reden te maskeren. Voor ‘mezelf’ denk ik.

Ik denk, ergens, dat de échte reden was, omdat ik dat gewoon zelf echt graag wou.

Niet om ‘legertje’ of ‘oorlogske’ te ‘spelen’ of zo, absoluut niet, maar om een andere. Al weet ik niet goed dewelke.

Heey.., ik krijg nu net ‘door’ “De Rode Ridder”. En “Thorgal”. De “lone-wolf”.., roaming.., fighting against injustices.. wherever he may roam..

Auwtch… en ‘dees’ is pijnlijk.. : ‘Om niet meer bang te hoeven zijn. Om nooit meer bang te hoeven zijn’.

Die ‘valse’ redenen die ik mezelf gaf, waren trouwens ook halve waarheden, denk ik.

Erkenning oogsten bvb; eindelijk misschien eens ergens bijhoren; het ‘moeten ontsnappen in drank en drugs’ achter mij kunnen laten; het ‘imago’ van ‘dé para’s’ dat ik dan ‘op mij kon plakken’…

Dán, zou ‘ik‘ wel respect krijgen! Dán, zou niemand ‘mij‘ nog pijn durven doen…

Ik denk nu dat ‘die redenen’, voor eender wat he, altijd wel halve waarheden zijn. Als in verlangens en noden die je als ‘mens’, als ‘sociaal dier’ zijnde, altijd wel ergens in zoekt.

Maar dat die ‘valsheid’ er in ligt, er bij mij in ligt, dat ik ze om ‘de verkeerde redenen’ buiten mij zoek of zoiets.

In functie van.. anderen.

Denk ik he.

Verlangens en noden die je als mens ‘normaal’ zou moeten krijgen of zo..

Van je eerste verzorgers, je directe omgeving, je gemeenschap, je maatschappij… of zo.

Maar dat ik die heb moeten ontberen.

Geborgenheid, waardering, respect, steun, motivatie, eerlijkheid, duidelijkheid, bescherming, warmte, verbondenheid, vertrouwen, zorg…

Nurture weet je wel.

Echte nurture.

Voeden.

Gevoed worden.

Met echte zorg, de beste zorg, zorgen voor…

Zonder daar iets voor terug te verlangen..

Liefde?

Verlangens en noden, die ik niet aan mezelf kan geven, die je als mens in de eerste plaats niet aan jezelf kan geven, en die ik op de een of andere manier zoek, ‘nu‘ zoek, op ‘de verkeerde plaatsen’ en in ‘de verkeerde dingen’..

Omdat ik mezelf niet de waardering, niet het bestaansrecht kan geven ze op ‘de juiste’ plaatsen, in ‘de juiste’ dingen te zoeken?

Hoe fucked-up moet je in je kop zijn.., hoé getraumatiseerd moet je zijn.. om zó te denken?

En dat keer op keer, elke keer weer opnieuw.

En dat ik mezelf daar dan ook nog eens de schuld van geef!?!

Dat het mijn fout is, omwille van wie of wat ik ben, dat die noden niet ‘vervuld’ zijn.

Dat het überhaupt een schande is dat ik die noden zelfs voel.

En wat een ongehoorde schandaligheid dat ik die dan ook nog eens verlang!?! Durf te verlangen.

En hoe durf ik te beweren dat ik die niet gekregen heb?

In best vermogen is geprobeerd om die mij te geven terwijl ik daar eigenlijk al geen recht op had.

Hoe durf ik daar aan te twijfelen?

Het is mijn fout!

Gewoon ik.

Wie of wat ik is.

En ik had eigenlijk zelfs al geen recht om te bestaan.

Waar haal ik dan het lef vandaan, waar heb ik ooit het lef vandaan gehaald om noden te hebben!?

Om dan ook nog eens meer nood te hebben.. andere nood te hebben.. meer te verlangen dan wat ik kreeg…

Dan dat waar ik eigenlijk sowieso al geen recht op had..

Verlangens.. noden.. waar ik zelfs nooit geen recht op heb gehad.

Misschien heb ik, om welke redenen dan ook, meer of andere zorg nodig gehad dan die, die mijn omgeving mij kon geven.

Dat is natuurlijk, als ik er nu heel even vanuit ga dat ik daar dan ook recht zou hebben gehad he.

En als dat niet gezien is.., en als ik dat zelf niet kon verwoorden..,

-heey.. Misschien daarom dat ik zo dikwijls te horen heb gekregen dat ik stom was; dom was; fantaseerde; niet belachelijk moest doen; een ‘nikswijter’ was; moest stoppen met te proberen ‘anders’ te zijn; moest zwijgen; een ‘komediant’ was; een idioot; dat alles wat ik deed, alles waar ‘ik’ goed in was afgebroken werd, vernietigd; dat ik het verdiende wat ik kreeg; gewoon ‘gewoon’ moest doen; dat het niet kon wat ik hoorde, rook of zag; dat ik niet juist spoorde; dat mijn ideeën, mijn gedachten, mijn denken compleet van de pot gerukt was; dat ik daarom misschien geen aansluiting vond; uitgesloten werd; gepest; bedreigd; gestraft; geslagen; vernederd…; misbruikt; …-

Maar misschien zit het echt wel ‘gewoon’ tussen ‘mijn‘ oren he.

Ben ik echt wel belachelijk.

Ben ik echt wel zot.

En zijn die verlangens, die noden, echt wel abnormaal he.

Had ik daar dan dus echt geen recht op he, nooit gehad.

En is het wel degelijk mijn fout dat er gebeurd is wat er gebeurd is.

Mijn fout.., hoe er met mij is omgegaan.

Omdat ik wel degelijk die ‘andere‘ noden had, maar dat die dus abnormaal zijn, en omdat ik die bleef (blijf) verlangen, ze mij in beste zorg geprobeerd hebben die af te leren.

Proberen die af te leren.

Te vernietigen.

Voor ik.

Voor mij

Hoe durf ik dan.., hoe durf ik.., nog steeds te verlangen wat ik verlang!?

didisdna©MMXXI

U ook genieten van:

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.