De anatomie van een gedwongen stilte
De Scherven van het Ge-Dicht
Een gedicht wordt vaak gepresenteerd als een abstracte compositie van woorden; als een gesloten deur waar de lezer zelf de sleutel voor moet vinden, zeg maar.
Wij breken hier met deze traditie, omdat we vinden dat traditie –hoe mooi soms ook– nooit geen ideologie, wet en dus indoctrinatie mag zijn; en omdat onze gedichten, voor ons, zeer reële, lijflijke documenten zijn.
Ver(s)Lagen… van ons bestaan.
(En als je goed leest zul je merken dat met “ver(s)lagen” veel.., maar geen toestand van ons “ik” bedoeld wordt 😉)
De zin “ik scheur je oor ermee in twee!” bijvoorbeeld, is géén metafoor.
Het zijn de letterlijke woorden van vader; één enkel voorbeeld van de altijd aanwezige dreigementen naar een kind toe, die elke grens overschrijden tussen gehoorzaamheid en gevaar.
Wij nodigen u dus uit om dit niet alleen te lezen, maar om de barst in die spiegel te voélen:
Als rauwe weergave van de grens tussen aanpassing en identiteit in een wereld die, ook vanuit “traditie”, vraagt om conformiteit.
Want in dit gedicht weergalmt die barst.. waar identiteit en gender-diversiteit doorheen schemert; waar het trauma van woorden –gesproken door “vertrouwelingen”– tastbaar wordt, en waar de “God” van de opgelegde loyaliteit uiteindelijk van zijn voetstuk valt.
De titel draagt het eerste geheim: Ge-Dicht.
Het is niet alleen een vers.
Het is een toestand van zijn.
Het is de echo van een dwingend bevel uit het verleden: “Gij! Dicht!”
Een bevel om de eigen identiteit te verzegelen en enkel te fungeren als een gladgestreken spiegel voor de ander.
Het ritme van de tekst spiegelt de levensloop: het begint met de snelle, bijna kinderlijke cadans van iemand die in de pas loopt om gevaar te vermijden.
Maar naarmate de druk toeneemt en de psychologische prijs van die aanpassing duidelijk wordt, hebben we de taal –zoals wij zelf zijn gaan doen- laten wringen.
De woorden worden zwaarder, de zinnen stroever, “de pressie” –de onderdrukking van een “ik”– tastbaar.
De psychologische prijs van die aanpassing wordt duidelijk.
De Noodzaak voor Verzet ook.
Wat overblijft is dan een barst in de spiegel:
De weigering om nog langer de noden van de ander te projecteren.
Dit gedicht is een verslag van die breuk; een pijnlijk maar noodzakelijk proces van ontvoogding waarbij de “God” van de sociale verwachting uiteindelijk wordt losgelaten.
Ge-Dicht
Draag ‘k roze of draag ‘k blauw
Reeds bepaald nog voor de dauw
En een oorring
ja of nee
“ik scheur je oor ermee in twee!”
Nee dus, tja dat laat ‘k maar
‘k Breng liever m”n oor niet in gevaar
En ook de rest doe ‘k best neutraal
Zodat ‘k niet afwijk van ‘t normaal
Zodat ze niet van mij gaan dénken
Bedien ‘k ieder op zijn wenken
Want als ze dát wel doen, dat denken
Denken ze enkel nog aan krenken
Een rage rafelt broek aan zomen
Dacht je daarmee weg te komen?
Dan dacht je weer maar eens verkeerd
“Nog steeds je lesje niet geleerd!?”
“Zullen we anders nog eens tonen
hoe we afwijking belonen
van wat wij hier willen klonen!?”
Ai ai ai, zo zie je maar
‘k Bracht dat mezelf weer in gevaar
Beter is ‘t niet op te vallen
Dat jezelf maar best omwallen
Nergens bovenuit te steken
Geef ze geen vinger om te breken
Of je kop weer af te knallen
Een jeans
neutraal en blauw
Een t-shirt effen wit
Geen franjes aan de pijp of mouw
Geen spiegel waar een barst in zit
Want ja, dat heb je nu toch wel geleerd
Dat dat jezelf hún niet reflecteert
En als je niet hunzelf uitbeeldt
niet hún noden projecteert
Geen deel van hun imago bent
hun diepste verlangens tóch niet kent…
Dan doen ze net alsof je van hun steelt
Ze niet langer verheerlijkt en vereert
en hun als God niet meer aanbidt.
ᗪ𝒾∂เรᗪ𝔫ค©️MMXXVI